Article | Heet en niet te blussen. Over conflicten die doen

Inleiding

Er is veel geschreven over conflicten en de wijze waarop we ze kunnen voorkomen, temperen of in goede banen kunnen leiden (zie o.a. Parker Follett, 1942; Mastenbroek, 1993; Aarts, Steuten & Van Woerkum, 2014; Glasl, 2015). In de gangbare benadering worden conflicten met name geobserveerd middels een diagnose-behandelcombinatie waarbinnen gezocht wordt naar de oorzaken en gevolgen van conflicten, en consistent wordt uitgegaan van een onderscheid tussen veroorzakers en conflictobjecten. De veroorzakers zijn dan twee of meer actoren (mensen, organisaties, staten, etc.) en het conflictobject kan van alles en nog wat zijn: landsgrenzen, kapitaal, natuurlijke hulpbronnen, of de kleur van de gordijnen in een nieuw huis. Als conflicten worden gezien als het resultaat van relaties tussen twee of meer actoren die een onenigheid hebben over bepaalde conflictobjecten, dan is het geen verrassing dat de focus van onderzoek en de daaruit voortkomende aanbevelingen voor interventie zich van oudsher op de veroorzakers, hun relaties en de conflictobjecten richt. Uit dergelijk onderzoek concludeert men dat er bemiddeld moet worden tussen twee partijen, en/of dat er iets gedaan moet worden aan de conflictobjecten; zoals het verstevigen van grenzen, het eerlijker verdelen van kapitaal, het vermijden van het gebruik van bepaalde hulpbronnen of het sluiten van een compromis over de kleur van de gordijnen.

Aan dit gangbare perspectief op conflicten voegen we hier een perspectief toe dat kan helpen om conflicten anders te observeren en te begrijpen, en dat andere handvatten kan bieden om met complexe conflicten om te gaan. We zullen, geïnspireerd door Niklas Luhmanns socialesysteemtheorie, beargumenteren dat conflicten in essentie sociale systemen zijn. Binnen deze benadering spreken we van een conflict zodra communicaties wederzijds verworpen worden en deze vervolgens een communicatieve kettingreactie vormen:

We [can] speak of conflict when a communication is contradicted, or when a contradiction is communicated. A conflict is the operative autonomization of a contradiction through communication. Thus a conflict exists when expectations are communicated and the nonacceptance of the communication is communicated in return.(Luhmann, 1995, p. 388)

In reactie op de gangbare conflictliteratuur, zullen we conflicten in dit artikel verder definiëren à la Luhmann om zo ook nader te verklaren hoe conflicten een vurig leven kunnen leiden en zelfs over kunnen slaan naar andere communicaties in hun nabijheid (Luhmann, 1995, 2012). We laten zien dat ieder conflict gekenmerkt kan worden door haar eigen ontstaansgeschiedenis en haar relaties tot de omgeving. Omdat deze relaties per definitie dynamisch zijn, kunnen conflicten verschillende en onvoorspelbare werkelijkheidseffecten genereren. Vervolgens gaan we in op de wijzen waarop de ontstaansgeschiedenis en de omgeving van het conflict de inhoud en intensiteit daarvan mede bepalen. In de laatste paragraaf gaan we expliciet in op de consequenties van dit perspectief voor eenieder die in de praktijk te maken heeft met een conflict of daar onderzoek naar doet. Ter illustratie van de verschillende conflicteigenschappen zullen we in dit artikel regelmatig verwijzen naar een denkbeeldige casus: een echtelijk conflict over een ogenschijnlijk onschuldig verschil van mening over de keuze van nieuwe gordijnen.

De gangbare kijk op conflicten

De gangbare kijk op conflicten is sterk actorcentrisch. Conflicten worden daarin hoofdzakelijk gezien als momenten waarin ten minste twee actoren hun verschillen/incompatibiliteiten voorstellen of waarnemen door deze te uiten of te voelen en daarbij ervaren dat zij belemmerd worden door een ander (Glasl, 2015). In de literatuur wordt de analyse van een conflict hierbij meestentijds gecombineerd met het gelijktijdig presenteren van oplossingen. Zo ontstaat er een voor lief genomen diagnose-behandelcombinatie die al geruime tijd zowel de conflictpraktijk als de conflictliteratuur domineert. Het is hier niet de plaats om een overzicht te geven van de geschiedenis van het denken over conflicten en oplossingen. Echter, het schetsen van een paar lijnen uit deze literatuur kan helpen om de redeneringen van dit artikel verder te positioneren.

Als we in vogelvlucht de evolutie van de invloedrijke conflictmanagementliteratuur bespreken (zie ook Kil, 2016), dan  zien we dat aanvankelijk veel werk voortbouwt op de gedachten van Mary Parker Follett (Parker Follett, 1942) die al in de jaren dertig van de vorige eeuw stelde dat conflicten door individuen met name gemanaged worden op drie te onderscheiden manieren: domineren, integreren of compromissen sluiten. Als dominante manieren om met conflicten om te gaan benoemde zij ontwijken en onderdrukken. Dit soort gedachten werden later door anderen verder ontwikkeld, waarbij de focus steeds meer naar sociale systemen (waarbij men doelt op de sociale context en sociale relaties van actoren) verschoof en op het hanteren van conflictstijlen kwam te liggen. Na de Tweede Wereldoorlog werd de wereldwijde nadruk gelegd op het vermijden (of zelfs oplossen) van conflicten. Een welbedoeld maar utopisch streven (Frerks, De Graaf & Muller, 2016), wat ook terug is te zien in de vele modellen die sindsdien zijn gevormd rondom karakteristieken van een (combinatie van) diagnose en managementstijlen, interventiestijlen, conflictstijlen, conflictmanagementstijlen of besluitvormingsmodellen.

Conflictmanagementsystemen worden hierbij gereduceerd tot het gedrag van actoren. Om preciezer te zijn: de reductie tot gedrag van het individu als partij. Termen als domineren, integreren, compromissen sluiten, ontwijken, onderdrukken en motivationele doelen als zorg voor jezelf en voor de ander duiden daarop. Een korte illustratieve rondgang door de literatuur levert ondersteuning voor deze ‘partijbenadering’. Hoewel in de sociale psychologie, met als belangrijke historische figuur Deutsch – in navolging van Lewin (Deutsch, 1973) –, vaak gesproken wordt over het observeren van een systeem in conflicten, doelt men daar toch vooral op interpersoonlijke verhoudingen tussen partijen. Factoren die een oplossing bevorderen hebben ook dat karakter. Zoals: het proces tussen de partijen, de eerdere verhouding, het controleren van de issues van het dispuut, karakteristieken van de partijen. Mauk Mulder (1978), die in Nederland het conflictdenken op de kaart zette, spreekt ook van partijen en systemen met een belangentegenstelling. Denken langs de lijn van het individu als partij zien we tenslotte ook terug in het werk van Ramsbotham, Woodhouse en Miall (2005) die stellen dat zelfs internationale conflicten in essentie conflicten zijn tussen de leiders van de staten.

Uit deze korte verkenning doemt dus steeds meer het beeld op dat conflicten in de traditionele benadering begrensd worden door een actorcentrisch perspectief waarbij het individu centraal staat en conflicten worden begrepen en gereduceerd tot begrippen als: emoties, motieven, pijn, voorkeursstijlen, conflictcommunicatiecompetenties et cetera. Directe actoren kunnen binnen dit perspectief de context reduceren naar hun – wellicht zelfs archetypische – begrippenkader en zodoende conflicten construeren, deconstrueren, en reconstrueren.

Conflicten als betekenisvolle communicatiesystemen

In reactie op vorenstaande kijk op conflicten plaatsen wij hier een niet vaak gebruikt perspectief waarin we niet de conflictactoren en -objecten centraal laten staan, maar juist de conflictcommunicatie(s) zelf. Hierbij zien we conflicten als betekenisvolle interacties, ofwel communicaties (Luhmann, Baecker & Gilgen, 2010). Conflicten worden geproduceerd doordat een actie van de een geïnterpreteerd wordt door de ander, en deze ander reageert dan met een actie die vervolgens wordt geïnterpreteerd door de een, wat wederom leidt tot een reactie richting de ander, et cetera. Een dergelijke kettingreactie kan als een communicatie-eenheid gezien worden, ofwel een sociaal systeem. Een uitspraak of handeling die verder niet tot een interpretatie of een reactie leidt, die verder geen verschil maakt, bestaat in zo’n perspectief ontologisch gezien (bijvoorbeeld als gedachten in de hoofden van mensen), maar vormt geen reproducerende communicatie-eenheid en derhalve is het geen conflict.

Deze manier van kijken komt voort uit Luhmanns socialesysteemtheorie (Luhmann 1995, 2012). Deze theorie laat zich het beste samenvatten als een communicatietheorie waarmee dynamiek en verandering in samenlevingen kan worden verklaard. De samenleving wordt volgens Luhmann namelijk gevormd door verschillende zelfreferentiële systemen en de bouwstenen of elementaire deeltjes waaruit deze systemen bestaan zijn communicaties (en niet individuen of groepen, zoals voor veel andere sociale wetenschappers). Een samenhangend geheel van communicaties, inclusief niet-talige vormen daarvan, kunnen we hier een sociaal systeem noemen (Luhmann et al., 2010). Denk daarbij aan de politiek, de economie, het rechtssysteem, maar ook aan een organisatie of een familie.

Verschillende systemen staan altijd in relatie tot elkaar, maar reproduceren zichzelf gebaseerd op eerdere communicaties binnen het systeem zelf. Ze zijn zelfreferentieel en operationeel gesloten. Een communicatie binnen een systeem kan niet zomaar onderdeel gaan uitmaken van een andere zonder dat ze wordt geherinterpreteerd in termen van laatstgenoemde. Een conflict communiceert, net als ieder systeem, alleen met zichzelf. Dat wil zeggen dat het voortbouwt op eerdere samenhangende communicaties die zijn gedaan binnen het conflictsysteem. Zo zou het conflict over de kleur van de gordijnen gebaseerd kunnen zijn op een aanverwante communicatie over de kleur van de gordijnen in het oude huis. Daar was vijf jaar geleden ook al heisa over, en dat lijkt zich nu weer op eenzelfde manier te herhalen.

Echter, dit betekent niet dat sociale systemen hermetisch afgesloten zijn van hun omgeving. Verandering in de omgeving van sociale systemen, zoals veranderingen in andere sociale systemen, kan leiden tot een verandering in het sociale systeem zelf, maar de veranderingen worden altijd geïnterpreteerd volgens de kaders die het resultaat zijn van eerdere communicaties in het systeem zelf. Communicaties, en dus ook conflicten, kunnen ‘resoneren’ met hun omgeving. Dat wil zeggen dat de omgeving van een conflict invloed kan hebben op het verloop daarvan. Des te meer er een simultaan veranderingsproces plaatsvindt binnen twee of meer sociale systemen, des te sterker we een koppeling tussen dergelijke verschillende systemen kunnen observeren. Door deze koppelingen kunnen we observeren hoe systemen evolueren in relatie tot die processen die in de omgeving van deze systemen plaatsvinden. Deze contextafhankelijkheid duidt Luhmann aan als de structurele openheid van sociale systemen. Zoals een mens zou sterven zonder zuurstof, zo zou elke communicatie en daarmee alle sociale systemen verstommen als alle mensen ophouden te bestaan.

Hiermee is de socialesysteemtheorie wezenlijk anders dan de eerdergenoemde systeembenadering uit de traditionele conflictliteratuur. Laatstgenoemde focust zich namelijk nog steeds op de mens en zijn context van sociale relaties (Deutsch, 1973) en niet op het voortdurende conflict waarvan wij hier argumenteren dat deze an sich bestaat en gevolgd kan worden als betekenisvolle communicatie. Hierbij willen we direct ook een metafoor introduceren: conflicten opereren als brand. Ook brand is een resultaat van een complexe combinatie van factoren, dat zich door kan ontwikkelen, onafhankelijk van de oorspronkelijke veroorzakers (zie ook Law & Singleton, 2005). Neem als voorbeeld maar de verdwaalde sigaret in een kurkdroog heidelandschap waardoor uiteindelijk een daarin gelegen hooischuur vlam vat. Daarbij kennen conflicten, net als deze heidebrand, wederom een zekere ‘eigenwijsheid’. Branden ze eenmaal en krijgen ze voldoende brandstof, dan zijn ze lastig te blussen en van hun pad af te brengen. In zekere zin zijn conflicten zelfs ontvlambaarder dan een heidebrand, omdat alles, zelfs de pogingen een conflict op te lossen, kan bijdragen aan het conflict. We spreken in de volksmond ook op die manier: ‘er broeit hier iets…’ Ja, een conflict kent altijd een (soms moeilijk te achterhalen) oorsprong. Maar als een conflict eenmaal loopt, als een vuurtje, dan kan veel het conflict worden ingezogen of als onderdeel van het conflict worden ge(her)interpreteerd (zie ook Vallacher et al., 2013). Een echtelijke ruzie over de kleur van de gordijnen kan inderdaad van het ene op het andere moment onderdeel worden van een smeulend conflict en vervolgens ook zomaar ineens gaan over de afwas, het alsmaar uitgestelde bezoek aan de schoonouders, die terugkerende blik naar de buurvrouw, et cetera. Conflicten hebben dus de neiging om autonoom over te slaan (of, zoals Luhmann dicteert: te parasiteren) op hun omgeving (Luhmann, 1995)

De relaties tussen conflicten, hun verleden en hun omgeving

Nu we de belangrijkste eigenschappen van conflicten hebben toegelicht op basis van de inzichten van Luhmanns socialesysteemtheorie, zullen we hier nader ingaan op hoe conflicten in relatie staan tot zichzelf en elkaar. Hoewel, zoals gezegd, conflicten niet direct kunnen communiceren met hun omgeving, worden ze wel beïnvloed door hun omgeving (en vice versa). De relatie tussen conflicten en hun omgeving kan zodoende twee kanten uitgaan en verschillende vormen krijgen.

De wederkerige relaties tussen conflicten en hun omgeving noemen we interafhankelijkheden (interdependencies). Dergelijke relaties kunnen worden gepositioneerd tussen twee extremen: tight couplings en loose couplings (Teubner, 1998). Door de tijd heen kunnen conflictcommunicaties binnen een systeem op elkaar ingespeeld raken. We spreken dan van tight coupling als ze zich zo ontwikkelen dat ze direct reageren op elkaars interne veranderingen. Zo kan in het voorbeeld over het gordijnconflict een relatie bestaan met een eerdere ruzie over het meezingen door een deel van de familie zodra ‘Bohemian Rapsody’ te horen is in de auto onderweg naar de gordijnenzaak. Zodra dat nummer nogmaals wordt afgespeeld zou dat aanstoot kunnen geven tot een vergelijkbare kettingreactie zoals eerder ervaren in de auto. We moeten hier van een ogenschijnlijk verband spreken, omdat een tight coupling nimmer deterministisch is gezien het operationeel gesloten karakter van iedere communicatie (Luhmann, 1995). Zo zou het kunnen zijn dat beide conflictcommunicaties uit dit voorbeeld los van elkaar staan en dus toevallig kort na elkaar plaatsvinden, maar in referentie staan tot andere gebeurtenissen uit het verleden. Mochten beide communicaties echter wel in elkaars verlengde staan, en onderdeel zijn van ingesloten gewoontesbinnen de familie als de meningen vlam vatten zodra het over glamrock-nummers gaat, dan kunnen we spreken van een tight coupling. Zo lijkt men dan op een voorspelbare manier te reageren op elkaar. Maar we mogen daar nooit per definitie van uitgaan. Er moet namelijk altijd rekening gehouden worden met de structurele openheid van ieder sociaal systeem. Zo zouden we hier dus ook een loose coupling kunnen aantreffen, wat zou duiden op alle overige, minder ingesleten en meer ad-hocrelaties tussen conflictsystemen en hun omgeving.

Naast deze voorbeelden van interafhankelijkheden bepaalt ook de ontstaansgeschiedenis (de path dependency, ofwel de rigiditeit die ontstaat in het pad dat conflicten afleggen) de vorm en inhoud van een conflict (Pellis, Duineveld & Wagner, 2015). Het effect van dit pad geeft richting, maar het precieze effect is nooit helemaal te voorspellen, wat conflicten mede zo complex maakt om mee om te gaan. Vele zaken dragen bij aan de padafhankelijkheid van conflicten. Denk bijvoorbeeld aan de bestaande en historisch gegroeide formele en informele regels die van invloed zijn op een conflict. Denk ook aan de heftige woorden die eerder geuit zijn, of die irritaties van weleer. Deze communicaties kunnen er allemaal aan bijdragen dat de padafhankelijkheid van een conflictsysteem naar verloop van tijd verder wordt bestendigd. Denk ten slotte ook aan de wijze waarop een conflict mede vorm krijgt door tal van organisaties die er (gewild of ongewild) onderdeel van uitmaken. Een conflictpad kan ook verderbestendigd of verduurzaamd worden door het bestuderen ervan door mediators, wetenschappers, overheden of non-gouvernementele organisaties (MacKenzie, Muniesa & Siu, 2007; Myerson & Rydin, 2014; Frerks et al., 2016). Op het moment dat een conflict wordt vastgelegd in rapporten en artikelen, wordt de waarschijnlijkheid dat het conflict vergeten wordt drastisch ingeperkt. Ook het formaliseren van het conflict kan bijdragen aan het bestendigen van een conflictpad. Het gordijnenconflict en alle complicaties zou uiteindelijk kunnen leiden tot een echtscheiding die door advocaten formeel op papier wordt bekrachtigd. Dit hoeft in principe niet te betekenen dat beide partners nooit meer bij elkaar komen, maar de scheiding geeft wel degelijk richting aan hoe de relatie tussen beiden vorm krijgt in het heden en de toekomst.

Uit onderzoek blijkt dat vele formele en informele interventies, zowel geplande als ongeplande, gewenste en ongewenste consequenties hebben (Scott, 2001; Van Woerkum, Aarts & Van Herzele, 2011). Dit wil niet zeggen dat traditionele interventies nutteloos zijn of met het badwater weggegooid moeten worden. Maar met dit Luhmanniaanse perspectief op conflicten kunnen we beter begrijpen dat maatregelen die verondersteld worden bij te dragen aan het oplossen van conflicten, deze juist kunnen verdiepen of intensiever en duurzamer maken. Zo kan ook het gordijnconflict in de vergetelheid raken nadat het ouderlijk stel de boel heeft uitgesproken. Maar mochten ze naar aanleiding van dit conflict, en de daaropvolgende scheiding, toch weer op bezoek gaan bij een relatietherapeut, dan bestaat de kans dat het conflict wordt uitvergroot, gepsychologiseerd en misschien zelfs gemedicaliseerd (‘hier neem in en hou je kop, daar knap je in een scheet van op’).

Hoe conflicten nieuwe werkelijkheden scheppen

Niet alleen kunnen conflicten overslaan als vuur, ze kunnen ook allerlei effecten hebben op de omgeving, op de werkelijkheid die ze mede helpen te produceren. Dit noemen we het performatieve karakter van conflicten (Beunen, Van Assche & Duineveld, 2013). Dat conflicten performatief kunnen worden, is geen kwaliteit of eigenschap die specifiek is voor conflicten alleen. Elke communicatie heeft potentie om werkelijkheidseffecten te sorteren. Zo kan bijvoorbeeld een bepaald heersend idee binnen een bepaalde cultuur over wat een mooi gordijn is ervoor zorgen dat ontwerpers gordijnen gaan vormgeven naar dat esthetisch ideaal (Scott, 2001). Op eenzelfde wijze kan een conflict zelf zorgen voor allerlei effecten op andere sociale en materiële werkelijkheden. Denk bijvoorbeeld aan het instellen van commissies, het opstellen van verdragen of het aannemen van talloze bemiddelaars of relatietherapeuten in ons voorbeeld. De relaties tussen conflicten en hun omgeving kunnen moeilijk in eenduidige categorieën of een lijstje worden gevat, omdat ze potentieel oneindig zijn en onmogelijk te reduceren zijn tot een reeks van theoretische aannamen. Uit eerder onderzoek kwamen we echter wel al tot de volgende algemene relaties:

Conflicten kunnen nieuwe subjecten en objecten creëren. Mensen worden gevormd, gemachtigd of belemmerd door conflicten. Een conflict kan nieuwe subjecten genereren, zoals (geblakerde en nogal emotionele) slachtoffers, (verhitte) boosdoeners en (blussende) bemiddelaars. Een conflict kan tevens allerlei objecten genereren, zoals muren, prikkeldraad, echtscheidingspapieren, of hele dorpen doen verplaatsen (Rijke & Minca, 2018; Duineveld & Van Assche, 2011).

Conflicten kunnen andere communicaties marginaliseren ofversterken. Conflicten kunnen overslaan op hun omgeving, de neiging hebben om alle aandacht naar zich toe te trekken door andere ‘te overschreeuwen’, maar ze kunnen andere communicaties in de omgeving ook kleineren. Alle aandacht, bijvoorbeeld van de media, gaat uit naar het conflict en andere zaken verdwijnen uit beeld of worden (tijdelijk) minder belangrijk gevonden (Pellis, Pas & Duineveld, 2018).

Conflicten kunnen de omgeving parasiteren (Luhmann, 1995). Conflicten kunnen andere communicaties gaan overheersen, organisaties in hun greep krijgen, nieuwe (of oude) ideologieën aanwakkeren, et cetera. Dit gebeurt op het moment dat een conflict andere communicaties naar zich toetrekt en interpreteert in termen van het conflict.

Sommige wetenschappers verbinden een normatief oordeel aan vorenstaande performatieve eigenschappen van conflicten. Zo stellen sommigen dat we conflicten moeten koesteren. Ze zouden allerlei belangrijke bijdragen kunnen leveren aan de maatschappij. Zo wijst Mouffe (1999) erop dat conflicten een noodzakelijk en wenselijk onderdeel zijn van de democratie en dat het vermijden of wegstoppen daarvan bijdraagt aan het depolitiseren van datgene wat expliciet politiek zou moeten zijn. Bijvoorbeeld door consensus te veronderstellen en te bestendigen als strategie om een denkbeeld te laten overheersen. Zo kunnen conflicten daarnaast, zoals de antropoloog Anna Lowenhaupt Tsing beargumenteert, werken als fricties waardoor ogenschijnlijk uniforme en globale discoursen (zoals het oprukkende neoliberalisme) op verschillende wijze gestalte krijgen in diverse lokale omstandigheden (Tsing, 2011).

Conflicten: temmen of loslaten of…

Conflicten, zo hebben we beargumenteerd, kunnen middels een Luhmanniaans perspectief gezien worden als zelfreferentiële communicatiesystemen die zich ontwikkelen zoals heidebranden dat doen. Ze hebben vervolgens de neiging om over te slaan op hun omgeving en laten zich daardoor maar moeilijk temmen of ongedaan maken. Het idee dat een conflict enkel het resultaat is van twee of meer verschillende opvattingen/acties van twee of meer partijen, en dat ze praktisch kunnen worden opgelost door deze opvattingen/acties te veranderen, te reframen et cetera, is onjuist. Hoewel het in theorie natuurlijk mogelijk blijft een conflict te beëindigen en hoewel een conflict dat door twee actoren wordt gevoed kan worden beëindigd door één van de actoren te verwijderen, lijken conflicten veelal door verschillende bronnen in stand te worden gehouden. Daarnaast zijn deze bronnen noch stabiel, noch constant dezelfde.

Voordat we verder ingaan op de implicaties van ons argument, geven we in tabel 1 een overzicht van de globale verschillen tussen het gangbare en Luhmanniaanse perspectief op conflicten.

Tabel 1. De globale verschillen tussen het gangbare en Luhmanniaanse perspectief op conflicten

Gangbaar perspectief

Luhmanniaans perspectief

Focus

Actorcentrisch

Communicatiecentrisch

Locatie

Lokaal kampvuur waar je omheen kunt staan; arena

Overslaande heidebrand, niet noodzakelijk plaatsgebonden

Inhoud

Benoembaar, concreet en herkenbaar, cognitief bepaald (individuele betekenisgeving); inhoud meer materieel of over de betekenis daarvan; belangen kunnen gematerialiseerd worden

Niet eenduidig benoembaar; conflictinhoud kan in de actualiteit verdwijnen, inhoud soms zelfs niet meer herkenbaar door individuen

Tijd

Tijdelijk

Voortdurend

Ontwikkeling

Redelijk te convergeren door actoren, en bij eindescalatie is er altijd een arbiter te vinden om de belangen te vermaterialiseren

Semiautonoom en divergent; verbonden aan de pad- en wederkerige afhankelijkheid van conflictcommunicaties zelf

Aanleiding

Veelal direct te vinden tussen de individuele actoren; materieel, tijd- en incidentgebonden

Slechts te vermoeden; kan in de actualiteit verdwijnen, vergeten of veranderd zijn

Potentiële oplossing

Compromis tussen actoren; eventueel met zelfhulp (paracetamol)

Resistent voor (deel)oplossingen en pogingen tot conflictmanagement; aangedragen oplossingen kunnen conflict verder voeden (hoofdpijndossier)

Gezien deze verschillen stellen we ons ten slotte de vraag: welke implicaties heeft deze herconceptualisering van conflicten voor de communicatiepraktijk? Een eerste belangrijke implicatie is dat het weinig zin heeft om te blijven zoeken naar een eenduidige bron van ‘het conflict’. Conflict vormt een vuur dat gevoed moet worden door beschikbare bronnen in de omgeving. Focus daarom niet direct op de bronnen alleen (wie zijn de partijen en waar gaat het conflict over?), maar doe juist een grondige analyse van de conflictcommunicaties zelf en analyseer daarbij de context waarin die communicaties hebben kunnen ontstaan, op zichzelf voortbouwen en welke relaties ze aangaan met de omgeving. Kortom: we kunnen overslaande conflictcommunicaties en haar meervoudige context niet negeren, zelfs al lijkt dat soms de makkelijkste oplossing binnen de gangbare kijk op conflicten dat door haar reducerende en actorcentrische kaders de context van conflicten gevaarlijk lijkt te reduceren. Vergeet daarbij niet om ook de (directe en niet-directe) belangen in kaart te brengen die actoren en organisaties kunnen hebben bij het conflict. We moeten tenslotte niet vergeten dat sommige mensen of organisaties er paradoxaal belang bij hebben dat bepaalde conflicten blijven voortbestaan, omdat ze er goed aan verdienen, het afleidt van andere zaken, of ze van de bijbehorende spanningen houden (Mastenbroek, 1993).

Een tweede implicatie en aanbeveling luidt: wees geduldig, open, attent en omarm de verscheidenheid aan conflictobservaties (zie ook Ren, Van der Duim & Johannesson, 2015). Omdat conflicten verhitte en zelfreferentiële communicaties zijn, is het onderzoek daarnaar lastig. Om conflicten te kunnen identificeren is het noodzakelijk dat we aanverwante kettingreacties van conflicten observeren, maar dat we tevens een onderscheid maken tussen directe en niet-directe observaties van dergelijke reacties. Zo raadt Luhmann aan dat we methodologisch een onderscheid maken tussen enerzijds eerste-ordeobservaties en anderzijds tweede-ordeobservaties. Binnen een eerste-ordeobservatie ziet een sociaal netwerk alleen de realiteit die ze ook zelf helpt te produceren (zie ook Fuchs, 2001). Zo maakt men logische distincties tussen wat normaal/niet normaal, legaal/illegaal, gewenst/ongewenst (etc.) is.

Aangezien bij conflicten noodzakelijk meerdere sociale netwerken betrokken zijn/raken, is het belangrijk om als conflictonderzoeker het onderscheid tussen verschillende eerste-ordeobservaties te maken. Een dergelijk onderscheid noemt Luhmann een tweede-ordeobservatie. Om maar weer terug te keren bij ons centrale voorbeeld: hoe zou men bijvoorbeeld met de aankomende scheiding na afloop van het hoogoplopende en voortdurende conflict over de kleur van de gordijnen omgaan? Terwijl de scheidingspapieren worden klaargelegd, kunnen we nog steeds niet zeker zijn dat dit conflict ten einde komt. Wie heeft hier het order gegeven om de papieren door de advocaat klaar te laten leggen? Is de ander het daar mee eens, of ziet hij/zij het conflict heel anders (of niet)? Hoe gaat de rest van de familie hier mee om? Het is in dit voorbeeld van belang dat men de pogingen tot het ongedaan maken van het conflict over een langere termijn blijft observeren. Maar dus ook in kaart moet brengen wat de verschillen zijn in hoe men het conflict observeert (of misschien zelfs ontkent/negeert). Na een grondige analyse kan de conclusie zijn dat de oplossing van het conflict erin ligt dat we alle bronnen wegnemen die haar voeden. In veel conflictsituaties zou dit of onmogelijk zijn of tegen ethische grenzen aanlopen. Een andere uiterste implicatie is dat men na het in kaart brengen van het conflict de conclusie trekt dat niets doen toch het beste is. ‘Het waait wel weer over.’ Maar wat als het vuur overwaait naar elders en daar een gerelateerde conflicthaard sticht? Wederom, iedere (in)actie ten opzichte van een conflict kan bijdragen aan haar dynamiek.

Een derde belangrijke implicatie is dat men heel kritisch moet blijven op pogingen tot conflictmanagement en -bemiddeling. We zeggen niet dat dat onzinnig is, maar wel dat het in bepaalde gevallen een conflict verder kan laten escaleren. Het conflict kan er persistenter van worden, omdat organisaties legitimiteit verlenen aan het conflict. Daarbij kunnen organisaties zelf afhankelijk zijn van het bestaan van conflicten. Zoals de internationale wapenhandel belang heeft bij oorlog, zo hebben advocaten en conflictbemiddelaars belang bij onenigheid en strijd tussen staten, groepen of individuen die twisten over de kleur van een gordijn.  

Een vierde implicatie is dat men zich in de analyse niet alleen richt op het conflict zelf, maar ook openstaat voor de realiteitseffecten die het genereert. Conflicten zijn zelden prettig voor de directbetrokkenen, maar ze kunnen wel degelijk bijdragen aan de democratie of de opinievorming zoals eerder beargumenteerd. Ze kunnen impliciete aannames blootleggen of frustraties die al lange tijd onder de oppervlakte borrelen en die dankzij het conflict expliciet worden gemaakt en daardoor onderdeel worden van het maatschappelijk debat.

Literatuur

Aarts, N., Steuten, C., & Van Woerkum, C. (2014). Strategische communicatie: Principes en toepassingen (3e druk). Assen: Koninklijke van Gorcum.

Beunen, R., Van Assche, K., & Duineveld, M. (2013). Performing failure in conservation policy: The implementation of European Union directives in the Netherlands. Land Use Policy.

Deutsch, M. (1973). The resolution of conflict. Constructive and destructive processes. London: Yale University Press.

Duineveld, M., & Van Assche, K. (2011). The power of tulips: Constructing nature and heritage in a contested landscape. Journal of Environmental Policy and Planning, 13(2), 79-98. Available at: http://www.tandfonline.com/doi/abs/10.1080/1523908X.2011.572655.

Frerks, G.E., De Graaf, B.A, & Muller, E.R. (2016). Conflict. Over conflict en conflictbeheersing. Deventer: Wolters Kluwer.

Fuchs, S. (2001). Against essentialism: a theory of culture and society. Cambridge, Mass.: Harvard University Press.

Glasl, F. (2015). Handboek conflictmanagement (6th ed.). Amsterdam: Uitgeverij SWP.

Kil, A.J. (2016). Conflictmanagement als kennisdomein: een chronisch tekortschietend vakgebied? (Ch. 6). In G.E. Frerks, B.A. de Graaf, & E.R. Muller (Eds.), Handboek Conflict. Alphen aan de Rijn: Kluwer.

Law, J., & Singleton, V. (2005). Object lessons. Organization, 12(3), 331-355.

Luhmann, N. (1995). Social systems, Stanford: Stanford University Press.

Luhmann, N. (2012). Theory of society, volume 1: Cultural memory in the present. Stanford: Stanford University Press.

Luhmann, N., Baecker, D., & Gilgen, P. (2010). Introduction to systems theory. Cambridge: Polity.

MacKenzie, D., Muniesa, F., & Siu, L. (2007). Do economist make markets? On the performativity of economics. Princeton: Princeton University Press.

Mastenbroek, W.F.G. (1993). Conflict management and organization development. John Wiley & Son Ltd.

Mouffe, C. (1999). Deliberative democracy or agonistic pluralism. Social Research, 66(3), 745-758.

Mulder, M. (1978). Conflicthantering. Theorie en praktijk in organisaties(2e ed.). Leiden: Stenfert Kroese.

Myerson, G., & Rydin, Y. (2014). The language of environment: A new rhetoric. Abingdon, Oxon: Routledge.

Parker Follett, M. (1942). Dynamic administration. The collected papers ofMary Parker Follett. In H.C. Metcalf & L. Urwick (Eds.), The early sociology of management and organizations (K. Thompson ed., Vol. III – repr. 2003). London: Routledge.

Pellis, A., Duineveld, M., & Wagner, L. (2015). Conflicts forever. The path dependencies of tourism conflicts; the case of Anabeb Conservancy, Namibia. In G.T. Johannesson, C. Ren & R. Van der Duim (Eds.), Tourism encounters and controversies: Ontological politics of tourism development (pp. 115-138). Surrey: Ashgate.

Pellis, A., Pas, A. & Duineveld, M. (2018). The Persistence of Tightly Coupled Conflicts. The Case of Loisaba, Kenya Arjaan. Conservation and Society, 16(4), 387-396.

Ramsbotham, O., Woodhouse, T., & Miall, M. (2005). Contemporary conflict resolution (2nd rev. ed.). Cambridge: Polity Press.

Ren, C., Van der Duim, R., & Johannesson, G.T. (2015). Postscript: Making Headways, Expanding the Field and Slowing Down. In G.T. Johannesson, C. Ren & R. Van der Duim (Eds.), Tourism encounters and controversies: Ontological politics of tourism development (pp. 239-244). Surrey: Ashgate.

Rijke, A. & Minca, C. (2018). Checkpoint 300: Precarious checkpoint geographies and rights/rites of passage in the occupied Palestinian Territories. Political Geography, 65 (April), 35-45. Available at: https://doi.org/10.1016/j.polgeo.2018.04.008

Scott, J.C. (2001). Seeing like a state. How certain schemes to improve the human condition have failed. Yale University Press, New Haven.

Teubner, G. (1998). Legal irritants: good faith in British law or how unifying law ends up in new divergences. The Modern Law Review,61(1), 11-32.

Tsing, A.L. (2011). Friction: An ethnography of global connection, Princeton: Princeton University Press.

Vallacher, R.R., Coleman, P.T., Nowak, A., Bui-Wrzosinska, L., Liebovitch, L., Kugler, K., & Bartoli, A. (2013). Attracted to conflict: Dynamic foundations of destructive social relations. Berlin, Heidelberg: Springer.

Van Woerkum, C., Aarts, N., & Van Herzele, A. (2011) Changed planning for planned and unplanned change. Planning Theory, 10, 144-160.